Joh. 9, 1 – 41
- Lezing
- Jesaja 30: 19-21,26
MET EEN OPEN BLIK
Mensen van God, Dia 1 – Gijs Frieling (1966) -Genezing van een blinde, 1999 In het voorbijgaan ziet Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind is. Hij ziet wat God ziet, altijd de mens die in het donker is. De leerlingen stellen Jezus een vraag, ze praten óver de blinde, in plaats van met hem. Zij zien hém niet, zij zien een theologische, ethische kwestie: over het verband tussen zonde en ziekte. Over straf, en wat God daarmee van doen heeft. Boeiend misschien, maar de mens om wie het gaat wordt zo tot object gemaakt. Jezus antwoordt: in deze mens moeten de daden van God openbaar worden. Daden van God, die altijd te maken hebben met bevrijding, met de ellende zien van een mens in het donker en daarop handelen om licht te brengen. ‘Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld’.
Zonder woorden gebeurt dan tussen Jezus en de blinde man een grote intimiteit. Jezus maakt een mengsel van zand en zijn eigen speeksel. Hij strijkt dit op de ogen van de man. Zoals God de mens heeft geformeerd uit het stof van de aarde, zo verricht Jezus een scheppingsdaad. Hij draagt de man op zich te gaan wassen in de Siloamvijver. Dat betekent ‘de gezondene’. Hij wordt gezonden door Hem die zelf de gezondene is. Nadat hem passief dit gebaar is overkomen, mag hij nu actief erop ingaan. Hij gaat, op eigen benen. Schoongewassen, door het water heen gegaan, kan hij zien. Dat ik zie wat is, en mij toevertrouw en het licht niet haat. Verrijzenis gebeurt hier. Wat een weldaad, wanneer iemand je echt ziet! In je nood, in je pijn. Je aanraakt op een manier die heelmaakt. Dan kunnen je ogen open gaan en zie je de wereld anders, als nieuw misschien, een weg verder. Het werk van God komt aan het licht.
Op dit schilderij heeft de hedendaagse kunstenaar, Gijs Frieling, links en rechts van het hoofd van de man, bloesems en bladeren geschilderd als beelden van genezing en bloei. Boven de man zijn hoofd zien we een vage kroon. Een koningskind is hij, aangeraakt door het licht voor de wereld, opnieuw gewekt om beeld en gelijkenis van de Eeuwige te zijn. Wellicht ook een verwijzing naar de belijdenis die hij zal uitspreken: Ik geloof in de Mensenzoon, Redder van de wereld.
Wat nog opvalt, in de modder op het rechteroog van de man, is een horizontale streep. Hiermee lijkt de kunstenaar te refereren aan een ander beeld dat Jezus gebruikte toen het thema van zonde werd aangeroerd. Het beeld van de balk en de splinter. In de gedachten en woorden van de mensen om de man heen klinkt voortdurend oordeel, in plaats van ontferming. Klinkt weerstand om de eigen motieven tegen het licht te
houden. En dan is het eenvoudiger om bij de ander uit te vergroten wat in je eigen leven verborgen moet blijven.
Dia 2 Duccio di Buoninsegna (ca.1255-1319) – De genezing van een blinde We kijken naar het paneel: Hier staan die omstanders links. Ze tuimelen bijna over Jezus en de man heen. Ze vallen ook, over deze mens die nu weer kan zien heen. Leerlingen van Jezus, de buren van de man en zijn ouders, de Farizeeën en Judeeërs, ze verdringen zich. Ieder met eigen gedachten. Wat zien zij? Er gebeurt iets dat hun beeld van de werkelijkheid omverblaast. Wanneer dat gebeurt, ook in ons, iets dat we niet kunnen verklaren, waardoor we in verwarring raken omdat het onze ideeën en opvattingen doorbreekt…. Dat maakt angstig, dan vernauwt je blik. Je grijpt, grijpt terug naar wat je kende. Dat begint al met de leerlingen: hun vraag wordt opgeroepen door angst dat het zomaar kan gebeuren dat iemand aan de kant raakt, uit de maatschappij, langs de rand. Is er toch wellicht eigen schuld?
De buren staan versteld: Is dat niet? Ja hij is het, nee het is een ander. Ze stikken bijna in hun loze heen en weer gepraat. Totdat de man zelf stem krijgt: Ik ben het. Ik ben van Ik ben. Mij is genade betoond. We horen de profetie van Jesaja: de genade die God zal betonen aan degenen die op Hem vertrouwen en zich tot Hem bekeren. Ik heb het Licht ontvangen van Hem die is het licht van in den beginne. Licht voor de wereld. Maar alles in hen blijft gesloten. Hun vooringenomenheid is stuitend. De ouders worden ondervraagd: klopte het wel van die blindheid vanaf de geboorte? De ouders weten zich geen raad: angst slaat hen om het hart, angst om ook uitgestoten te worden. Vraag het hem maar, hij is oud genoeg. Dat is het enige wat ze kunnen doen: hem nu dan zijn eigen stem geven.
Voor de Farizeeën geldt nog dat hun theologische systeem wordt opengebroken. Ze worstelen met hun gedachten over Jezus. Ze verschuilen zich achter hun eigen bouwwerk: wij weten dat hij een zondaar is. Ze voelen zich bedreigd: hun gezag aangetast, hun macht ondermijnd. Dan slaan ze hard van zich af. De man wordt uit de synagoge gezet, uit de gemeenschap. Een sanctie die net minder heftig is dan de doodstraf. Er staat veel op het spel.
We kijken nog naar de rechterkant van dit paneel. Hier staat opnieuw de man die blind was. Hij gooit zijn stok weg. Zijn arm zwaait omhoog in die beweging. Op eigen benen. Zijn blik omhoog gericht: Vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp is van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft.
Jezus heeft hem gezocht, nadat de man uit de synagoge is gegooid. In hun gesprek, in dialoog, Ik en jij, waar Martin Buber op doelt, oog in oog, is het gegaan over bevrijding, over redding en vertrouwen, over de mensenzoon. In de ontmoeting met Jezus heeft hij nu met eigen ogen, en met de ogen van geloof, gezien dat deze de Weg, de waarheid, het leven is, en biedt. Hij komt vrij te staan. Hij wordt uitgeworpen, maar nu keert hij zich ook om. Er komt een nieuwe weg voor hem open. In de profetie van Jesaja klinkt het zo: uw leermeester zal zich niet langer verborgen houden: met eigen ogen zult u Hem zien. Met eigen oren zult u achter u een stem horen zeggen: ‘Dit is de weg, volg die, of u nu naar rechts gaat of naar links.’
Tot slot: Waar ben ik op dit paneel? Waar ben jij? Bevraagd en uitgedaagd worden we. Om met een open blik te kijken, ontvankelijk voor momenten van bevrijding en genezing. Dat we ervoor oppassen om een andere mens tot object te maken, van onze zorg, onze liefdadigheid. Dat we er op uit zijn om in dialoog te komen. Ik en jij, ik en Gij. En dat we open durven komen voor het vertrouwen dat Hij ons vindt, en nieuwe wegen wijst,. Mogen we zo staan en gaan, met Hem en met elkaar.
Gijs Frieling Duccio di Buoninsegna