Joh. 2, 1 – 12

Petra Speelman
Lezing
Exodus 33: 12 - 23

HEERLIJKHEID ERVAREN

Mensen van God, Over heerlijkheid gaat het vandaag in beide lezingen. Een wat ouderwets woord, theologisch geladen. ‘Heerlijkheid’ roept op: het volle licht van God, de eenheid en verbondenheid van God uit met mensen. En met de liefde en de vreugde van die mens van God bij uitstek, Jezus Messias.

De evangelist Johannes schrijft dat Jezus zijn heerlijkheid heeft geopenbaard in Kana, op de bruiloft die dreigt te mislukken, maar waar Jezus redding brengt. Het is het begin van zijn tekenen, arche, het beginsel. Daar waar het Jezus om te doen was en is: dat het feest van verbond, tussen God en mensen, en tussen mensen met elkaar kan doorgaan. Die heerlijkheid van Jezus wordt voor Johannes ten volle openbaar aan het einde van zijn getuigenis, aan het einde van het leven van Jezus. De begrippen heerlijkheid en verheerlijking zijn typerend voor deze evangelist. Hij drukt daarmee iets uit van de diepe verbinding van Jezus met God, dwars door lijden en dood heen, in Verrijzenis. Dat de glorie van God zichtbaar wordt, de liefde voor zijn volk, voor mensen. Alles wat voorafgaat, in het leven van Jezus, gebeurt in het licht van die verheerlijking.

We komen straks terug in Kana, maar ik wil even naar Mozes, in de eerste lezing. Hij verlangt ernaar de heerlijkheid van God te zien. Hij verlangt naar een bevestiging dat God met hen mee zal trekken. Want het spant erom of de Ene überhaupt bij hen blijft of niet. Het volk, dat op weg is door de woestijn, is hard van nek zegt de Ene. Ze hebben een eigen stierenbeeld gemaakt en zo het verbond tussen God en mensen op het spel gezet, met ontrouw, ongeloof, eigen richting. Mozes laat niet los. Hij smeekt en argumenteert en uiteindelijk laat hij de Eeuwige inzien dat dit volk zijn volk is, en dat de Ene hun God is. ‘Laat mij dan toch uw heerlijkheid zien’. Als de Ene dan aan Mozes voorbijtrekt roept Hij de naam uit: De Ene, de Ene is een barmhartige God genadig, geduldig, groot in liefde en trouw, die goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht (Ex.34: 6-7).

Mozes kan de Ene alleen van achteren zien, ‘de achterste delen van God’ zegt de Statenvertaling. Een prachtig beeld is dat. In het voorbijgaan, in de sporen die Hij achterlaat zien we hoe God aanwezig is en is geweest, in ons leven. Van die heerlijkheid van God kunnen we, als we opmerkzaam zijn, sporen zien, gebaren van liefde en trouw, ervaring van genade en opnieuw mogen beginnen, een hand vol troost, een hart onder de riem, een steun onderweg. Wanneer je merkt dat het licht wordt, dat er verlichting komt.

Zo komen we terug in Kana, waar een bruiloft wordt gevierd. Verbond tussen mensen, liefde, feest. Maar, al in de eerste woorden waarmee Johannes deze vertelling begint voel je dat er iets gaat gebeuren, dat niets vanzelfsprekend is. Op de derde dag is er een bruiloft, zo begint Johannes. De derde dag waarvan? Op de derde dag gaat er van Godswege iets gebeuren. Op de derde dag toont de Ene zijn heerlijkheid aan het volk, op de Sinaï. Jona was drie dagen in duisternis. Jezus zal ten derde dage opstaan… Op de derde dag keert het leven van donker naar licht.

Op die derde dag is er een bruiloft. Wie er trouwen weten we niet, dat blijkt niet belangrijk. Johannes gebruikt dit beeld van de bruiloft en roept daarmee het heilig verbond op van de Eeuwige met zijn volk. De profeet Jesaja zegt: ‘Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt, zo zullen jouw zonen, Sion, jou ten huwelijk nemen, en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over jou verheugen’. Johannes zet Jezus in deze lijn: als de bruidegom, die zijn gemeente tot bruid neemt.

Er dreigt een crisis, de wijn is op, het symbool van verbond tussen mensen, tussen God en mensen. De vreugde dooft, de eigen kracht om iets te maken van dit leven, van de liefde, het is op.

Dan horen we dat de moeder van Jezus er is. Ze wijst hem op het gebrek aan wijn. Jezus geeft een wonderlijk antwoord: ‘Vrouw, wat heb Ik met u van node? Mijn ure is nog niet gekomen’. Dat uur, dat komt pas aan het einde van zijn leven, bij de verheerlijking. Toch brengt de moeder iets in hem in beweging: de weg naar dit uur, de weg die hij moet gaan, de weg die nu begint. Als een vroedvrouw begeleidt zij hem, om te gaan staan, om de vreugde van het leven met God zichtbaar te maken, te herstellen, door Hem heen.

Ze spreekt ook de waterdragers aan: doe wat ik zeg. Doe alles wat hij zegt. Belangrijke mensen zijn dit, deze dienaren, dienstbaren. Als Hij dan opdracht geeft om de vaten te vullen met water doen ze. Het zijn sjouwers, die werken en doorgaan, zonder precies te weten waarvoor. Ze stellen geen vragen maar die vertrouwen dat het goed is om te doen. En werken zo mee in de beweging naar nieuw leven.

In dit samenspel, tussen Jezus en zijn aardse moeder, tussen Jezus en zijn hemelse Vader, tussen Jezus en de waterdragers en de ceremoniemeester, in dit samenspel wordt dan water wijn. Dat heeft met heilige Geest van doen, die je verstand te boven gaat. De heilige Geest die over de leerlingen komt, op het Pinksterfeest, waardoor omstanders zeggen: zijn zij vervuld van zoete wijn? Het leven gaat stromen, het wordt feest.

Over heerlijkheid gaat het vandaag. De glans van de Eeuwige, die in Jezus is verschenen. De glans die ontstaat waar mensen in beweging komen, waar liefde wordt geleefd, tussen mensen, in verbondenheid met God, in verbinding met Jezus, open voor de werking van de Geest. Daar wordt het gewone opgetild. Daar wordt genade gevonden, medemenselijkheid, troost en vreugde.

Mag het zo zijn voor ons, in ons leven met elkaar. Amen