Joh. 11, 28 – 44
- Lezing
- Jesaja 12
KOM ER UIT!
Mensen van God, De jonge zorgvernieuwer Teun Toebes schreef een hartenkreet, over het leven van mensen met dementie in een verpleeghuis. In zijn boek VerpleegThuis houdt hij een indringend pleidooi voor een radicaal andere manier van omgaan met mensen met dementie in onze samenleving. Hij is zelf voor langere tijd medebewoner geworden, en legt vanuit die ervaring en op basis van gesprekken met bewoners een aantal pijnpunten bloot in de ouderenzorg.
Een constatering is oa. dat mensen met dementie lijden onder hun ziekzijn, maar meer nog lijden door het verlies van hun eigen stem, van hun eigen unieke wezen en het op moeten geven van regie over hun leven. Lijden aan het afgesneden worden van het leven, afgesneden van verbinding met mensen. Zijn observaties raken mij vanwege mijn werk als geestelijk verzorger in de ouderenzorg. Ik dacht aan Teun en zijn medebewoners, nu we vandaag in het evangelie horen over iemand die in zo’n situatie is geraakt en daar alle leven in verliest. Lazarus. We leren hem kennen als toch een geliefde vriend van Jezus, geliefde broer van Martha en Maria. Maar in dit hele verhaal dat Johannes ons overlevert, is hij een zwijgende mens. Hij is ziek en daarom is Jezus geroepen. We weten niet wat hem mankeert, maar we horen dat alle leven uit hem wegvloeit. Een mens zonder perspectief is hij, zonder hoop. Afgesneden van het leven.
Deze ervaring in het bestaan van mensen horen we op vele plaatsen in de Schrift. Wanneer het volk in ballingschap leeft, en moeite heeft om haar identiteit als volk van God onderweg te behouden. Beproefd wordt in trouw en verbondenheid. En eerder nog wanneer het volk in slavernij verkeert, in Egypte. Een ervaring die ook wij kunnen opdoen, wanneer we te maken krijgen met ongemak, ziekte, rouw. Niet meer thuis zijn, uit de kring van mensen, uit verbinding, met een ander, met jezelf. Afgeraakt van de levensstroom, opgeborgen in een tehuis, een steen op je hart, doods, dor. Om te huilen zo verdrietig.
Dat wordt ook gedaan, dat huilen, weeklagen, nu Lazarus is gestorven en begraven. Door Maria, en door mensen die naar hen zijn toegekomen om deze rouw mee te dragen. Jezus is nog niet in Bethanie aangekomen, hij is dat ‘huis van verdriet’, dat betekent het, nog niet binnengegaan. Hij is op een afstand, niet afstandelijk, maar op eigen grond lijkt het. Martha is naar hem toegekomen. Ze hebben gesproken over dood en leven. Jezus heeft haar geopenbaard dat hij is de opstanding en het leven. Ik ben het. De godsnaam. Ik ben van ik ben. Waar ik ben, daar is leven, bevrijding, heelheid. Geloof je dat, Martha? Ze heeft vol vertrouwen ja gezegd. Vervuld van dat geloof heeft Martha nu haar zus gewekt: kom, ga naar hem, hij roept je. Hij roept je weg uit dat huis van verdriet, uit dat tranendal waarin je verdrinkt.
Jezus ziet haar aan, hij ziet de situatie aan. We horen dan tot 2x toe dat hij woedend wordt, verbolgen. En ook hij huilt, ten diepste bewogen. Het zijn grote krachtige emoties, op die grens van dood en leven. Wat is de kleur van die woede?
In het Schriftgesprek gisteren zeiden we: hij is woedend om dat leven dat al dood is, dat leven dat geen leven meer is. En waar mensen in berusten, waar ze genoegen mee nemen. Hun verzet tegen dat on-leven is gebroken, ze verdrinken in hun tranen, hun mond vertrokken in ach en wee, maar geen kracht meer om het tij te keren. De hopeloosheid waarin mensen kunnen verzinken. Dat wekt de woede van Jezus. Deze krachtige levensdrift beweegt hem naar het graf toe, de holte waar de steen voor is gelegd. Hij beveelt om de steen op te heffen. Martha, nu zul je het zien, hier wordt de heerlijkheid van God zichtbaar, geloof het, vertrouw het. Jezus wijst van zichzelf af naar God. God die uit is op bevrijding en heelheid. De belijdenis van Israël door alle tijden heen. ‘De Heer is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geworden.’
Dan volgt letterlijk die beweging naar boven, hemel en aarde worden bewogen. De steen wordt opgeheven, Jezus heft zijn ogen op en dankt. Nog voordat er iets gebeurd is dankt hij God. Omdat het leven doorgaat, omdat er heelheid zal zijn. Voor het oog van iedereen. Hij schreeuwt het uit en roept zo Lazarus: ‘Kom uit, sta op’. En tot de mensen er om heen: maak hem los, haal die ingewikkeldheid weg, doe mee in de bevrijding. En laat hem gaan, zijn eigen weg gaan, zijn eigen stem, eigen regie, mens met de mensen.
Een prachtig en krachtig verhaal, waar Johannes van getuigt. Deze opwekking van Lazarus is het 7e en laatste teken dat Jezus verricht. Het is tegelijk een voorafschaduwing van zijn eigen weg, naar Jeruzalem, naar uiteindelijk die verheerlijking van God door zijn eigen lijden, dood en verrijzenis heen.
Een krachtig getuigenis dat ons opwekt, om uit ons niet-leven tevoorschijn te komen. Om onszelf en anderen te bevrijden uit de windsels die gevangen houden. In Gods naam. En ons aanspoort om God te loven en te danken. De Eeuwige die altijd nabij is, en het leven wil. Die steeds opnieuw dwars door dat doodmakende in het leven heen breekt, openbreekt, redding brengt.
Tot slot: aan het einde van zijn boek roept Teun Toebes op om mensen met dementie, en eigenlijk om elke mens te zien in wie hij en zij is: een mens die er toe doet, een vol-waardig mens, een mens met wie je in wederkerigheid contact kunt hebben. Een dappere aansporing om mensen in het leven te behouden, om elkaar te behoeden en te bewaren.
Mogen we zo met die heilige Geestkracht, onze weg gaan.