Luc. 17, 5 – 10

Tineke Renkema
Lezing
Habakuk 1: 2-3 ; 2-4d

Door de wereld gaat een schreeuw! Door de wereld gaat een woord!

Geef ons meer geloof! Dat vragen de leerlingen aan Jezus. Kunnen we ons werkelijk met deze vraag verbinden? En wat zou ieder van ons dan vragen?

Luisteren we met deze vraag in ons als eerste naar de profeet Habakuk. Het geloof van Habakuk komt tot uiting in een wanhopig roepen. En dat wanhopig roepen is tegelijkertijd een aanklacht. Waarom? Waarom? Waarom toch blijft redding uit? Waarom treft onschuldige mensen zoveel kwaad? God, waarom hebt u ons verlaten?

Het is niet moeilijk deze stem van deze wanhopig roepende profeet te horen in het hier en nu. We kennen de plaatsen van honger en dorst, van liefdeloosheid, van geweld. Door de wereld gaat een schreeuw! Door de eeuwen heen! Door de woorden van Jezus heen, aan het kruis! Tot op de dag van vandaag.

Hebben wij de moed om te schreeuwen? Wagen wij ons aan die schreeuw? Wagen wij het God zo aan te spreken, zo ter verantwoording te roepen, zoals Habakuk dat doet? Het gaat wel degelijk om de moed hebben, het aandurven! Het wanhopig roepen naar God, met hart en ziel, kan in ons iets teweeg brengen Het kan gebeuren, dat ik steeds meer verbonden raak met wat mij voor ogen staat aan onheil, aan lijden, met wat een mens, wat een land, een volk kan overkomen. En dat tast het welbevinden aan, dat doet pijn! Als ik het waag echt te schreeuwen van binnenuit ‘waarom toch, waarom toch God’, dan raak ik meer en meer betrokken. Dan kan het niet anders, dat ik steeds meer verbonden raak met die God om mensen bewogen. Al roepend kan het niet anders dan dat het verlangen groeit om zoveel als in mijn vermogen ligt, me te openen voor het antwoord, op welke manier dan ook, in mij, om mij heen.

Habakuk vertelt ons wat hij deed toen hij was uitgeschreeuwd. Hij wacht! Hij kijkt uit naar een woord van de Heer, een antwoord op zijn schreeuwen. En in dat wachten en luisteren hoort hij, dat hij het visioen levend moet houden. Het gaat er dus om om in de spanning te blijven staan van die uiterst pijnlijke werkelijkheid enerzijds en tegelijkertijd drager te zijn van het visioen anderzijds.

Dat visioen van Gods Rijk van menslievendheid of de woorden die ieder van ons daar nu voor vindt. Dat vraagt leven in de spanning van: Én door de wereld gaat een schreeuw én door de wereld gaat een woord. Een woord tégen: Tegen bang zijn en verdriet, tegen liefdeloosheid en onwaarachtigheid. En waar zo’n woord door de wereld gaat, en wij dat horen, vraagt dat om gedaan te worden.

Maar wat is nu de verbinding met de vraag van de apostelen naar meer geloof in het evangelie van vandaag? Gaat het om te kunnen geloven dat het er werkelijk toe doet, wat ik, zo kleine mens, doe? Dat het er werkelijk toe doet dat wij zo kleine gemeenschap op deze plaats doen wat gedaan moet?

De apostelen vragen om meer geloof nadat Jezus in de woorden vlak hiervoor hen heeft opgeroepen om te vergeven als iemand berouw heeft. Niet éénmaal, maar zevenmaal, steeds opnieuw. Steeds opnieuw vergeven omwille van het mogelijk maken van een nieuw begin.

Steeds weer op je wachtpost staan en het visioen levend houden dat een nieuw begin mogelijk is, maar ….. Maar! Maar niet eerder dan dat je de pijn, het verdriet, de woede van het onrecht hebt toegelaten, niet eerder dan dat je bent uitgeschreeuwd over alles wat aan kwaad gebeurde.

Ja, dat vraagt veel geloof. Een geloof dat bergen kan verzetten, een geloof als dat hele kleine mosterdzaadje, dat een moerbeiboom met zijn enorme wortelstelsel zou kunnen verplaatsen. Vragen om meer geloof, om vertrouwen?

Als wij ons wagen aan die vraag, naar meer geloof, dan weten we dat dat niet vrijblijvend is, dan weten we dat dat een diep spoor trekt in ons. Alleen het waarachtig vragen om meer geloof kan geloof doen groeien. Al vragend om meer geloof, word ik ertoe gebracht om antwoord te geven door mezelf te geven: beschikbaar. Weet dus wat je doet als je vraagt.

Jezelf geven, beschikbaar: Dat bracht mij bij het laatste stukje van het evangelie van vandaag. Die schijnbaar plotselinge overgang, waar Jezus het beeld gebruikt van een knecht, van wie, na een dag van werken, zonder meer verwacht wordt, dat hij de maaltijd bereid en zijn heer bedient. Het behoort gewoon tot zijn normale dagtaak. Hij is gewoon beschikbaar, doet wat gedaan moet, dienend aanwezig. God zoekt ook ons om in zijn dienst te nemen.

Een van de mooiste definities, die ik ooit las, van spiritualiteit is een drieslag: God zoeken, God ervaren om dan Gods werk te doen. Gods werk doen: Dus geen opoffering, maar voortvloeiend uit de ervaring van de bron van liefde. Heilig dienstwerk! Dat maakt dankbaar en gelukkig. Uitgenodigd worden we het spoor te volgen van de Mensenzoon: De Dienaar bij uitstek. Mag het zo zijn.