Mat. 5, 38 – 48

Annet van Straaten
Lezing
Lev. 19, 1 – 2 + 17 - 18

Uitnodiging voor diegenen die als een God willen leven hier op aarde

Waar daarstraks Leviticus mee begon: ‘Wees heilig, want de Heer uw God is heilig’, daar eindigt het Evangelie volgens Mattheüs mee: ‘Wees dus volmaakt, zoals de Vader in de hemel volmaakt is.’

Heilig, volmaakt, uit één stuk, onverdeeld. Woorden die makkelijk weerstand oproepen. Weerstand tegen de vermeende taak om onverbiddelijk te moeten streven en weerstand tegen de onontkoombare teleurstelling die daar dan aan gekoppeld zit. Want: wie is volmaakt? Wie is nou heilig? Niemand toch?

Wat is er te horen over deze oproep tot heilige volmaaktheid, dat niet tot weerstand leidt?

In Leviticus gaan de aanwijzingen om die heiligheid te bereiken over omgangsvormen, leefregels, om het samenleven met elkaar in orde te houden. Daar, onderweg in de woestijn, waren kaders nodig waarmee het samen leefbaar bleef; zoals in elke groep, in elke samenleving regels nodig zijn om het leven onderling te regelen en te ordenen. Het is van belang om de context te beseffen, waarin deze woorden in Leviticus klinken: Het betreft de mensen die met Mozes waren weggegaan uit Egypte, op zoek naar een nieuw, vrij leven. Zij waren uit nood weggetrokken en hadden niet meer dan hun verlangen naar een ander leven. Zij waren degenen die hoorden: ‘Wees heilig, want Ik, de Heer Uw God, ben heilig.’

In Mattheüs gaat het verder, veel verder, dan wat inmiddels wet is geworden omwille van een leefbare omgang met elkaar. Daar is ook weer de context van belang: Jezus onderwijst diegenen die niet genoeg hebben aan die wetten. Omdat die hen niet voorziet van een gelukkig en goed leven. Dat zijn veelal de armen, de zieken, de ongelukkigen. Én ook degenen die ondanks voorspoed niet gelukkig werden en meer of iets anders van het leven verlangden. Zij zijn degenen die naar Jezus toekwamen op de berg, waar hij de Bergrede begon, waar de tekst van vandaag een onderdeel van vormt. Degenen die net als het volk in Leviticus honger en dorst hadden naar een ander leven. Tegen hen spreekt Jezus over een radicaal andere leefwijze ‘opdat gij kinderen moogt worden van Uw Vader in de hemel.’

Het hóeft niet! Je kunt volstaan met je aan de wet te houden. Je kunt thuisblijven en een goed leven hebben. Maar als dat niet lukt, als je dat geen rust geeft en je zoekt naar een andere manier van leven, dan wordt deze manier aangeboden: aan iedereen die wil, ongeacht je persoonlijke of maatschappelijke situatie. Het is een aanbod, zonder druk erop. Het is een uitnodiging voor diegenen, die als een God willen leven, hier op aarde!

Een grootse boodschap zit erin bij Leviticus: wees heilig wánt ik, Uw Heer, ben heilig. Daarmee zegt God tegen ons: wat Ik ben, zijn jullie ook. Wánt jullie en Ik zijn één, jullie komen van Mij en horen bij Mij. Boven het hoofdstuk waaruit wij lazen staat: De heiliging van het leven. Het gaat dus niet om een persoonlijk heilig worden, maar om het léven heilig/heel te maken. In het hele hoofdstuk komt 12 keer terug: want Ík ben uw Heer. Steeds als er een aanwijzing klinkt, komt dat erachter aan. Het is als een mantra, waarmee ingeoefend kan worden: wil je Mij achterna? Handel dán zó!

Dat klinkt opnieuw in Mattheüs: wees volmaakt, opdat je kinderen mag worden van mijn Vader in de hemel. Die Vader, die zó van ons houdt, dat Hij dit tegen ons zegt: ‘Jij, jij, jij en ik kunnen volmaakt zijn, zo leven. Die Vader die heus wel weet hoe onvolmaakt en kleinmenselijk wij óók zijn. En die dit hier tóch tegen ons zegt. Veel meer nog: die ons áltijd weer opnieuw uitnodigt, weer opnieuw met ons begint, weer vergeeft, weer een schone lei aanbiedt, ons met elke nieuwe dag weer een nieuwe kans geeft.

Deze grote uitnodiging, deze liefdesboodschap krijgen wij vandaag. Mag die ons bereiken. Want in het licht van deze Carnavalszondag: als het Woord komt binnen, kan het feest beginnen!