Mat. 20, 1 – 16

Annet van Straaten
Lezing
Jes. 55, 6 - 9

'Hemels handelen.’

Lang geleden maakte een zus met haar man een grote reis. Toen het geld op was moest er bijverdiend worden. Er was werk bij een groentefabriek. Maar het was nooit zeker of er genoeg werk was. Elke ochtend werd bekendgemaakt, hoeveel mensen nodig waren. Dan werd er naar de ingang gerend en die er het eerst waren, hadden werk. Als het quotum vol was, was er voor de anderen geen werk die dag.

De landeigenaar uit deze parabel heeft geen limiet aan het aantal arbeiders dat hij nodig heeft. Hij kan iedereen gebruiken: tot 5 x toe gaat hij opnieuw uit om arbeiders te vinden. Zelfs vrijwel op het eind van de dag, gaat hij nog op zoek!

Er is dus voor iedereen plaats in het koninkrijk der hemelen. Iedereen is er welkom. Sterker nog: iedereen is nodig! Er wordt onvermoeibaar naar ons gezocht!!

Waar zijn wij te vinden? Wanneer stellen we ons open voor de vraag van de landeigenaar?

Dan de arbeiders. Ik weet wel zeker, dat ik net als die arbeiders van het eerste uur, verongelijkt had kunnen vragen: waarom krijgen wij niet méér dan de laatst aangekomenen? Het is zo’n menselijke gedachte!

Ik kan me evenzeer herkennen in de arbeiders van het laatste uur. Niet gevraagd worden, overschieten, met lege handen achterblijven. Dat is hard gelag. Hadden ze dan maar eerder op de markt moeten komen? Hoeveel omwegen maak ik soms niet, voordat ik weer eens op de markt verschijn, weer innerlijk beschikbaar ben. Me openstel voor God, die me zoekt.

Het is onze realiteit; zo gaan onze wegen, die niet Gods wegen zijn. Want zoals de hemel boven de aarde is, zo gaan de wegen van God die van de mensen te boven, aldus Jesaja.

Maar toch klinkt in datzelfde stukje ook: zoek de Heer, nu Hij te vinden is. Roept Hem aan, Hij is nabij! Het koninkrijk kán de aarde bereiken. De landeigenaar doet het ons voor.

Eén denarie stond in die tijd voor bestaanszekerheid; genoeg om van te leven. De landeigenaar houdt zich aan zijn afspraak en geeft álle arbeiders wat hen toekomt! Veel van hen krijgen meer dan zij volgens wereldse maatstaven verdienden. Allen krijgen wat ze nodig hebben om van te leven. Daar raakte het hart van de hemel het hart van de aarde.

Ook de arbeiders van het eerste uur krijgen wat zij nodig hebben: een denarie om die dag van te leven én, ongevraagd ook nog meer, n.l.: een veeg uit de pan! Of: ook een glimp uit de hemel, die zij om niet ontvangen? Zij krijgen een spiegel voorgehouden over hoe zij zich iets toe-eigenen wat niet van hen is, n.l.: de regie over de uitbetaling. Dat is aan de landeigenaar, niet aan hen. Zij vergeleken zich met de laatst gekomen werkers en met die wereldse maatstaf was het logisch, dat zij dus recht hadden op méér In onze voorbereiding gisteren zei iemand: ‘God heeft zijn eigen maat. En die is mateloos. Die is nooit te weinig.’

Mensen rekenen en vergelijken onderling. Vergelijken, zo leerde ik lang geleden van Nel, is van de duivel! Het schept verdeeldheid en maakt ontevreden met wat ik heb of wie ik ben.

Hoezeer ken ik dat gevoel, van dat ik eigenlijk recht hebt op méér dan wat me toekomt? Waardoor ik mezelf kwijtraak, achterop raak. Laatste wordt. Maar in die verlorenheid ontstaat dan wel weer nood aan de landeigenaar, die mij goddank blijft zoeken. Keer op keer opnieuw. Om in zijn wijngaard te leren hoe we hemels kunnen handelen op onze aarde.