Mat. 22, 15 – 21

Annet van Straaten
Lezing
Jes. 45, 1-7

‘Gods geld, dat zijn wij!’

Laten we eerst teruggaan naar Kores; een Perzische koning, die door de God van Israël wordt gezien als gezalfde en gezondene voor het Joodse volk. Een buitenstaander, die er voor het Joodse volk zal zijn, het zal leiden en redden. Historisch klopt dat ook: deze machtige strateeg, Kores de Grote, gaf de Joden toestemming om vanuit Babylonië terug te keren naar hun vaderland. Daarmee eindigde deze ballingschap. Ook gaf hij hen de voorwerpen terug, die geroofd waren bij de vernietiging van de tempel in Jerusalem. Deze Kores diende de God van het joodse volk, zonder dat hij zich dat bewust was: ‘gij kende mij niet’. Dat kennen en erkennen komt in dit stukje viermaal voor. Vier staat voor de hele wereld. Zoals Kores voor de hele toenmalige wereld koning was, zo maakt de God van Israël zich via Jesaja kenbaar als een God voor de hele wereld.

(En dan hoor je bijeen, ongeacht woonplaats, cultuur of status. Dan werk je samen aan het Koninkrijk van God: een bewoonbare wereld voor iedereen.)

In Mattheüs gaat het eveneens over dienen en over de machthebbers. In dit geval geen koning, maar de keizer, die van de Romeinse bezetter. Het Evangelie laat er geen onduidelijkheid over bestaan: de Farizeeën wilden Jezus weg hebben als profeet. Ze beraadslaagden hoe ze hem in de val konden laten lopen. Beschadigen met voorbedachte rade. Het is een uitgekookte vraag die hem wordt voorgelegd. Want het betalen van belasting aan de keizer was een hot issue onder de gelovige Joden, waar onderling veel strijd gevoerd werd. Het dilemma was: kon je de Wet dienen én de keizer? Kon je trouw blijven aan God, als je belasting afdroeg aan de bezettende macht. Rabbijnen waren er niet uit, Zeloten wezen het radicaal van de hand en er deden zich soms opstanden door voor. Dit knelpunt werd dus aan Jezus voorgelegd bij wijze van proef. Ingeleid door een hoop stroopsmeerderij. Ze omschrijven Jezus als oprecht, als iemand de leer van God in oprechtheid leert aan anderen en als onafhankelijk. Als je erbij stilstaat is het heel naar, dat ze deze treffende beschrijving vanuit zoveel onoprechtheid doen. Het zegt eigenlijk wie Jezus echt is. En tegelijk wie ze zelf zijn, n.l.: precies het tegendeel daarvan: onoprecht, wél mensen naar de ogen kijkend, afhankelijk van posities.

Degenen die hem dit vragen is een gemengd samengesteld groepje: leerlingen van de Farizeeërs, zodat die zelf het vuile werk niet hoeven op te knappen? En Herodianen, een

groepering die Romeinsgezind waren. Een groep die elkaar normaal gesproken juist meed, maar hier een monsterverbond vormt. Wát Jezus ook antwoorden zal, het zal altijd fout zijn: bij een ontkennend antwoord konden de Herodianen Jezus bij de Romeinen aanklagen als opruier. Bij een bevestigend antwoord zou het volk Hem laten vallen en werd zijn positie als geëerde Rabbi aangetast.

Jezus doorziet hen direct. ‘Waarom proberen jullie mij te vangen, huichelaars.’ Is zijn eerste reactie. En vervolgens vangt hij hén!

Want hij vraagt ze naar een muntstuk. En naar de beeltenis op dat muntstuk. Nu waren afbeeldingen van mensen verboden bij de Joden. Zeker afbeeldingen van de bezetter. En om die afbeeldingen in de tempel bij je te dragen, was helemaal niet toegestaan. Zo ontmaskert Jezus hen alvast. En vervolgens weet hij de val te ontlopen. Zijn antwoord doet beide belangen recht. Aan de keizer het belastinggeld geven dat hem toekomt. Niet meer en niet minder. Waarmee tegelijk een grens wordt aangebracht aan diens macht. Die beperkt zicht tot die van de wereld. De keizer is niet almachtig. En aan God geven wat God toekomt. En wat is dat dan? Dan zijn wijzelf, zoals we zijn. Ons leven behoort hem toe. Wij, als beeld van God, zijn als het ware Gods geld. Ons leven is bedoeld om zijn afbeelding te zijn. Dat gaat ver boven de belasting aan de keizer uit, zonder daar iets vanaf te doen.

Met dit grootse antwoord zet Jezus het vraagstuk in een ander perspectief. Hij laat zich niet vangen, hij doet een stap die niet voorzien was. Hij gaat in de ruimte van God staan.

Een houding die hoop wekt. Als wij in de ruimte van God blijven, is er een weg te vinden uit grote dilemma’s. Laat dit ons bemoedigen bij alle onmogelijke situaties waar we in onze tijd voor gesteld worden.