Mat. 25, 31 – 46

Annet van Straaten
Lezing
Ez. 34, 11-17

‘Wij, schaap en bok tegelijk.’

Voordat we stilstaan bij de gelijkenis die we zojuist hoorden, eerst even iets over de context van dit gedeelte uit het Evangelie.

Het is zoals Berti al aangaf, de laatste zondag van het kerkelijk jaar. De zondag van de Voleinding. In lijn daarmee klinkt in deze tekst van Mattheüs de laatste van een hele reeks gelijkenissen van Jezus. En nu dus deze over het scheiden van de schapen en de bokken. Met deze eindigen niet alleen de gelijkenissen; het is tevens het einde van Jezus’ openbare optreden. Het is dus de laatste keer dat Jezus nog eens álles op alles zet, om over te brengen waar het in wezen om gaat in ons leven.

Het opent met best moeilijk te verstane volzin over de Mensenzoon die komt in heerlijkheid, vergezeld van engelen en plaatsneemt op een troon van glorie. Mensenzoon! Een aanduiding van kwetsbaarheid als mens. En daarmee ook een duiding van te willen dienen, niet te willen heersen. En juist die dienende Mensenzoon komt op een troon terecht, in heerlijkheid en glorie en omringt door engelen. In het dienen schuilt het geluk. Het vraagt doorgaans tijd in een mensenleven, in elk geval in mijn leven, om uit te laten kristalliseren wat van blijvende waarde is. Terugblikkend is dat makkelijker te zien; op het einde van een dag, van een periode. Of op het einde van een leven. Of ná iemands leven. Ik denk aan hoe Paula de afgelopen dagen tussen ons in was, zó in de bloemen, zó omringd met liefde. In het licht van afscheid opent zich in volle glorie, datgene wat echt belangrijk is. Dat wordt opgetild, op een troon gezet.

En alle volken zullen vóór Hem geplaatst worden. Ja, álle volkeren. Want: wat er gevraagd wordt, is universeel. Zie om naar elkaar als er gebrek wordt geleden! Houd verbinding bij ziekte, of wat mensen anderszins gevangen houdt, trek je armoede van elkaar aan. Heb oog voor de ellende om je heen. Vier keer worden deze ‘zes werken van Barmhartigheid’, zoals ze zijn gaan heten, in hun totaliteit benoemd. Twee keer in gesprek met degenen die ze uitvoerden. En twee keer met degenen die ze niet uitvoerden. Hetgeen wil zeggen: deze levenshouding geldt voor alle vier de windstreken van de wereld! Voor alle volken dus.

Diegene die ze niet uitvoerden, die trokken mijn aandacht. Hoe kwam het, dat ze niet deden wat toch zo menselijk voor de hand ligt? Hun antwoord is: zij zagen de Mensenzoon niet, in al die situaties die om bijstand en ondersteuning vroegen. Als ze Hem hadden gezien, dán hadden ze wel actie ondernomen.

In de voorbereiding leerde ik, dat er binnen het Joodse volk toch echt wel waarde werd gehecht aan het doen van goede werken; tienden geven, aalmoezen verstrekken, enz..

Daar waren allerlei richtlijnen voor, die ook heus wel werden nageleefd. En tóch houdt Jezus deze gelijkenis aan zijn leerlingen voor. Wat wilde Hij nou zeggen?

Hij schetst een beeld van goed en kwaad, verbeeld in schapen en bokken. Natuurlijk een zwart-wit beeld. Want in werkelijkheid is het niet zo zwart-wit. We kijken best naar anderen om. En daarom maakte dit Evangelie mij in eerste instantie ook wat machteloos en moedeloos: ‘Ik kán toch niet iedereen helpen die in nood is! Dat zijn er veel te veel!’

Jezus zegt ook niet, dat ik iedereen moet helpen. Hij zegt mij, dat ik oog moet hebben voor degenen om mij heen. Hoe kijk ik naar anderen en naar kwetsbare anderen? Zie ik Jezus in hen? En mócht dat al zo zijn, wat zie ik dan?

Wanneer en van waaruit sta ik klaar voor anderen? Wat is daar de drijfveer van? Is het plicht? Een taak, die we graag zo snel mogelijk afwerken om daarna weer terug te kunnen naar ons eigen leven?

Een vriend die ziek was en die ik wilde bezoeken een tijd geleden, zei me dat hij gevoelig was voor welk soort bezoek hij kreeg, tijdens zijn ziekzijn. Hij hoefde niet uit medelijden bezocht worden. Hij wilde ontmoeten, maar in wederzijdse kwetsbaarheid.

Jezus dééd niet anders. Het doen van deze werken van Barmhartigheid was zijn leven! Hij was één met wat Hij deed. Of Hij nu omging met een rijk of machtig iemand of met een hulpbehoevende. Hij was één en dezelfde, totaal, dáár waar Hij was. En deed Hij wat Hem werd ingegeven als goed of nodig. En werd daarmee een zegen voor iedereen in zijn omgeving. Zijn aanwezigheid werkte genezend, gelukkig makend. Hij bracht de hemel op aarde. Dát is waartoe Hij oproept, met dat scherpe, zwart-witte beeld. Ga léven! Ga samen léven! Dat brengt vanzelf ook zorg voor elkaar mee. En vreugde en vrede. Grote woorden. Maar echt onderling contact, dat bouwt een menselijke samenleving op.

Hoezeer herinneren we ons niet de bijzondere momenten van contact met iemand, met eerlijke betrokkenheid op elkaar? Sommige ontmoetingen koester je levenslang, kunnen levenslang kracht blijven geven; eeuwig leven geven.

En die andere perioden kennen we ook. Als we vooral met onszelf bezig zijn, de aandacht voor onze omgeving afpassen en inplannen naar eigen maat. Dan kan een tijd rust en vrede geven. Maar geleidelijk aan groeit er ook dorheid door, verveling, leegte, eenzaamheid. Wát we ook aan afleiding en comfort verzinnen, het vervult uiteindelijk niet. De straf, die we met deze bokkige kant over onszelf afroepen, bestaat eruit, dat die leegte en eenzaamheid ten diepste eeuwig door duurt. Totdat we ons omkeren en openen naar de ander.

Boven dit hoofdstuk staat ‘Het laatste oordeel.’ Dat dus plaatsvindt ‘wanneer de Mensenzoon komt’. Wanneer zou dat zijn? Ik versta dat als: wanneer mijn ogen voor Hem opengaan. Wanneer ik tijd voor Hem maak en met Zijn ogen naar mijn leven kijk.

En dan zie waar het wezenlijk om gaat. Hier en nu, elke dag die we krijgen, steeds weer opnieuw. Want ook nu, vandaag en altijd, is er eigenlijk maar weinig dat echt belangrijk is. Dat gaat over er zélf mogen zijn, over samenzijn en er voor elkaar zijn, ongeacht de omstandigheden. Op hoogte- en dieptepunten in het leven heb ik dat het sterkst ervaren. Dan valt alles weg, de franjes en de bijzaken. Dan concentreert zich alles op leven! Jezus was voortdurend gericht op zulke broedplaatsen van leven; hij creëerde ze, waar Hij maar kon. Dat is de Boodschap die Hij aan ons wilde nalaten; wees zó met elkaar!

Maar ja, wij, die zowel schaap als bok in ons hebben; gaan we dat ooit waarmaken? Maar dan mogen we ons laten bemoedigen door Ezechiëls woorden, dat de Heer zelf zijn schapen zal hoeden, ze veilig zal terugbrengen als ze verstrooid zijn geraakt. Zolang wij op weg blijven, ook al raken we soms verdwaald, zal de Heer zal ons blijven zoeken en verzamelen en ons steeds opnieuw terugbrengen naar goede weidegrond.