Joh. 6: 1, 4 – 15
DE KRACHT VAN VERBEELDING
Heb je wel eens denkbeeldige koekjes gegeten die vers voor je waren gebakken in de zandbak? Of in een trein gereden die bestond uit een rij stoelen, met op de voorste stoel een vijfjarige machinist? Kinderen hebben een grote verbeeldingskracht. Zelf moest ik mij soms over een lichte gêne heen zetten, om te genieten van een kopje thee uit het poppenservies of te smikkelen van een plastic pizzapunt. Kinderen zien met andere ogen.
In een menigte van vijfduizend mensen is er welgeteld één kind dat iets te eten bij zich heeft. Een jongen – een jochie zegt de Naardense vertaling – is in het bezit van vijf broden en twee vissen. “Wat hebben we daar nou aan voor zoveel mensen?” zegt Andreas. En ook Fillippus houdt het bij de feiten: wat een onzinnige vraag van Jezus waar we ergens brood kunnen kopen voor vijfduizend mensen! “Daar hebben we in de verste verte niet genoeg geld voor”.
Niet gehinderd door logisch redeneren of nuchter berekenen, geeft de jongen zijn eten weg: vijf broodjes en twee visjes. In zijn verbeelding vormt het weinige dat hij te bieden heeft, een feestmaal voor velen. Bij elkaar opgeteld, vijf broden en twee vissen, vormen zij het heilige getal Zeven. Zeven staat voor grootheid, voor méér – méér dan je kunt zien. Filippus en Andreas zien het niet. De kleine jongen ziet het wel: iets wat klein en onbetekenend lijkt, kan groots en veelbetekenend worden. Maar dan moet je er wel in geloven.
Geloven was het doel waarmee Johannes zijn evangelie schreef: dat de mensen zouden geloven en blíjven geloven in Jezus als de Messias, de door God gezonden mens. Met dat doel voor ogen beschrijft hij zeven wonderen die Jezus doet. Johannes noemt ze steevast tekenen: ze verwijzen naar de grootheid van Jezus, naar wat Hij betekent, wat zijn boodschap betekent. Eigenlijk zijn het er acht, want Jezus geeft nog een laatste teken na zijn opstanding.
Het teken van de wonderbare spijziging is het middelste teken. Toepasselijk, zo in het midden van de Veertigdagentijd. Het heeft overeenkomsten met het eerste en het laatste teken: ze verwijzen alle drie naar overvloed. Met het eerste teken verandert Jezus water in wijn. En dan niet zomaar wat flesjes, nee: zes vaten van wel honderd liter! Met het vierde teken worden vijf broden en twee vissen vermenigvuldigd tot voedsel voor duizenden. En dan blijven er nog twaalf manden brood over. Twaalf, het getal van het geheel, het totaal. Oftewel: er is genoeg voor iedereen. En het laatste teken: zijn
leerlingen – nadat een hele nacht vissen niets heeft opgeleverd – werpen onder aanwijzingen van Jezus nogmaals het net uit en halen 153 grote vissen omhoog.
In alle drie verhalen is er in eerste instantie sprake van een tekort, een gebrek. We staan erbij en kijken ernaar: de wijn is op – er is te weinig eten – we hebben niks gevangen. Maar daar mag het niet bij blijven. We moeten verder kijken dan onze neus lang is. Jezus wijst ons op het aloude visioen van dat land van melk en honing, een land van vrede en gerechtigheid. Het is al begonnen. Zie je het niet?
Nee, we zien het niet altijd. Levend in een wereld waar de ongelijkheid almaar toeneemt. 90% van de wereldbevolking ontvangt 1 dollar tegenover 1,7 miljoen dollar voor één miljardair. Veel geld betekent ook veel macht. Vermogensongelijkheid leidt tot machtsongelijkheid en dat is slecht voor de democratie. Het democratisch gehalte wereldwijd is sinds 2006 niet zo laag geweest. Nog geen 8% van de wereldbevolking woont in een volwaardige democratie. Meer dan 40% leeft onder een autoritair regime, waar ongelimiteerde macht wordt uitgeoefend door één persoon of een kleine groep mensen. Vaak is dan ook sprake van zelfverrijking en systematische onderdrukking van andersdenkenden.
“Wat kan ik eraan doen?” Een veelgehoorde en ook heel begrijpelijke uitspraak; we voelen ons vaak zo machteloos tegenover onrecht en ongelijkheid. Laatst las ik een prikkelend citaat: The only thing necessary for the triumph of evil, is for good people to do nothing. Het enige wat nodig is voor de overwinning van het kwaad zijn goedwillende mensen die niets doen. Als we niets doen en ons verschansen achter de dijken, dan zal het kwaad inderdaad overwinnen.
Dus waar sta ik in dit verhaal? Zit ik lekker op het groene gras, de grazige weiden waar het mij aan niets zal ontbreken? Of ben ik de rekenaar, weliswaar van goede wil, maar heel voorzichtig om zomaar iets in te leveren? Ben ik de cynische volwassene die zijn schouders ophaalt en denkt: het heeft toch geen zin. Ben ik het kind? Wil ik alles delen wat ik heb? Ik herken mezelf in alle vier. Met de gaven van het kind geeft Jezus het voorbeeld. Terwijl hij het brood deelt, vermeerdert het zich. Vermenigvuldigen door te delen. Door jezelf te delen.
Deze wereld anders. Dat is het visioen. Kunnen we kijken met de ogen van een kind? Kunnen wij zien wat dat jochie zag? Hij had kunnen blijven zitten met het schamele beetje eten dat hij bij zich had. Wat heeft het voor zin? Zo moedeloos en wanhopig kunnen wij ook zijn. Kijkend naar onze wereld van oorlog, haat en hebzucht. En toch ... Het is al begonnen. Het begint namelijk met mensen die blijven geloven dat die andere wereld komen zal. Dat het kan. Dat het moet!
Het is al begonnen in ons. Goede doelen steunen, petities ondertekenen, een protestmars lopen, boodschappen doen voor de voedselbank, sociaal bewogen volksvertegenwoordigers kiezen, aandacht hebben voor de kwetsbaren, zorg dragen voor
de vreemdeling. Het lijkt niet veel op wereldschaal. Maar laten we niet vragen of het zin heeft, maar het blijven doen omdat het zin geeft. Vandaag, Zondag Laetare, verheugen wij ons op het perspectief van de hoop. Dat wat weinig is, kan het begin zijn van veel meer.
Daarom kijken wij vandaag door een roze bril. De Dikke Van Dale zegt dat die uitdrukking afkomstig is van rooskleurig, wat in figuurlijke zin betekent: schoon, veelbelovend, hoopvol. Laten we blij zijn om met elkaar het brood te delen, elkaars leven te delen en elkaar te bemoedigen om vast te houden aan die hoop, aan het visioen van ‘deze wereld anders’.
Zo en dan lust ik nu wel een kopje thee!