Joh. 15, 1 – 8
- Lezing
- Deut. 4: 32-40
‘Handvatten voor het goede doen’
Verbeter de wereld, begin bij jezelf. Met een wereld, die elke dag zo binnenkomt als vandaag de dag, is deze tegeltjeswijsheid voor mij een grond om niet moedelooste worden, om te blijven geloven dat het beter wordt voor generaties na mij of de mijne. Maar een tegeltjeswijsheid is niet genoeg als grond. Als ik dan bij mijzelf begin, wat doe ik dan elke dag om mijzelf te verbeteren? Daar heb ik een stevig fundament voor nodig, wijsheid van eeuwen, eeuwenlang doorleefde wijsheid. De lezingen van vandaag, de 5e zondag van Pasen, vertegenwoordigen zulke wijsheid. Vertegenwoordigen God, want God is wijsheid. En de lezingen van vorige week deden dat ook op de 4e zondag van Pasen. Tineke overwoog de lezing van de Goede Herder. Ik ben de Goede Herder, zei Jezus. Tineke plaatste de lezing in het kader van verrijzenisverwerking. Het tot je door laten dringen dat Jezus nog altijd leeft, ondanks zijn dood aan het kruis. Jezus is nog springlevend, omdat zijn gedachtengoed nog springlevend is. Tineke gaf aan dat de vraag die je je moet stellen is: wat is goed doen en voor wie of wat doe je dat? En het antwoord op die vraag kan voor iedereen anders zijn. Maar het gaat dus niet om goed voor jezelf te zijn.
Niet goed voor jezelf zijn. Ik zeg vaak tegen jonge mensen die worstelen met de uitdaging waar ze aan moeten geloven: wees aardig voor jezelf. Als het niet lukt, neem het jezelf niet zo kwalijk. Ik denk dat dat niet hetzelfde is als: goed zijn voor jezelf. Waar zij mee te maken hebben, en wij ook, is dat niet alles lukt wat je onderneemt, wat je graag zou willen, dat lukt.
De lezingen van vandaag geven handvatten om het goede te doen voor iets of iemand. Als eerste is er de lezing uit Deuteronomium. Tegen het volk dat aan de grens van het beloofde land staat, wordt de lof gezongen van die ene God, die dat nietige volk uit de handen van het machtige Egypte heeft bevrijd. Die hen heeft beschermd tegen natuurrampen en andere machtige vijanden. Die ene God. Het woord “horen” komt vijf keer voor. Vijf is het getal van de Torah, de wet. Het luisteren naar God, het eren van God, is de basis voor ons handelen en spreken. De basis van het goede doen en het goede zeggen, het goede teweeg brengen. De grootsheid van God doet ons beseffen hoe klein we zijn. Een kleinheid die mensen zeggen te ervaren in de natuur. Waarmee en waardoor ze zich verbonden weten met die natuur en het heel en al. Dit besef van kleinheid creëert de mogelijkheid van gelijkwaardigheid en verbond op basis van gelijkwaardigheid.
“Ik weet niks” was voor mij waarheid. Als je aan iets nieuws begint, dan weet je niet wat je te wachten staat. Op hoop van zegen. Ik zie de worsteling van jonge mensen, omdat ze dat niet durven toelaten. Ik heb het als genade ervaren dat het niets weten mij niet
lamsloeg. Ik geloof dat dit met mijn geloof te maken had, terwijl ik echt niet elke dag dit geloof bewust ervoer. Het was er latent. Dat is veiligheid in jezelf.
Als je de kleinheid, het niets zijn of niets weten, toelaat, kom je open voor nieuwe kennis. In alle eerlijkheid zag die kleinheid van mij er lange tijd vooral zo uit: een gulzigheid om nieuwe kennis op te doen. Op zich niet verkeerd, en allicht beter dan je af te sluiten van kennis. Maar de kleinheid, die je openmaakt voor de ander, dat is andere koek. Dat heeft bij mij veel langer geduurd. De eerste keer dat mij dat overkwam, staat nog in mijn geheugen gegrift. Ik zal jullie de details besparen. De kern was dat iemand iets beter kon dan ik, en dan nog wel op mijn eigen speelveld. Voor de eerste keer genoot ik ervan. En toen dat eenmaal lukte, was het hek van de dam. Niet iedere dag, iedere keer. Ik had mijn terugvalmomenten. Maar mensenlief, wat heb ik een hoop genoten inmiddels.
Maar waarom duurde het zo lang voor ik die voor verbond en vrede nodige kleinheid toeliet. Dat komt in het Johannes evangelie naar voren. De centrale boodschap is: Blijf in Mij, zoals Ik in jullie blijf. Het werkwoord blijven komt ook 5 keer voor in deze tekst. In een preek die ik las staat: Dat “Blijf in Mij” klinkt gebiedend, we moeten een klus klaren, we lopen kans dat we falen, niet genoeg in Hem blijven. Maar kijk dan eens naar het tweede deel van de boodschap: “zoals Ik in jullie blijf”. Hier is die springlevende Jezus, die er altijd zijn zal, zoals hij er zijn zal. Vader, Zoon en Heilige Geest. Wees maar niet bang, wees gerust, vrede aan jullie, ik zal altijd in jullie zijn. Als dat zo is, dan durven we de sprong toch wel te wagen, niet? Het was rond 2000 dat ik die voor mij belangrijke ervaring had, ongeveer 7 jaar na onze Exodus. Laat ik het maar eens een beetje mooier maken dan het is. Maar toch, Jezus geeft de veiligheid die nodig is om klein te zijn. Zoals zelfvertrouwen je de veiligheid geeft om de ander toe te laten. Zo kunnen we het Verbond met God wagen, zo worden we echt broeder en zuster. Zo kunnen we het goede doen voor de ander, voor de vrede.
Want de belofte is dat we vruchten zullen dragen, dat we vruchten zullen voorbrengen. Vruchtdragen komt zeven keer voor in deze tekst. Dat duidt op overvloed en volheid, volledige ontplooiing. Op die vruchtbare weg is het niet altijd hosanna. Want we zullen moeten snoeien aan onszelf, en als wij dat niet doen, doen anderen dat. Het vertrouwen op jezelf op de grond die Jezus ons aanzegt, “Blijf in Mij, zoals Ik in jullie blijf”, is de basis om ook de ander te vertrouwen, die je snoeit in woord en daad.
Zo gaan we van Pasen naar Pinksteren. Jezus is nog springlevend, 2000 jaar na zijn dood aan het kruis. Als we dat hebben verwerkt, zijn verrijzenis, dan zijn we klaar om de Heilige Geest te ontvangen. Mag het zo zijn.