Lc. 24, 49 – 53
- Lezing
- Ez. 1, 3-5a en 26-28a
Loslaten wat we kennen opent voor de Geest.
Een paar weken terug was ik op trainingsdagen bij de Norbertijnen in Heeswijk. We zaten ‘s middags bijeen toen er plotseling een oogverblindende bliksem door de ruimte vloog. Heel fel! De donder volgde direct daarna. Het was angstaanjagend, maar het duurde te kort om echt bang te worden. Later hoorden we, dat op drie plaatsen in het gebouw, de elektriciteit was uitgevallen. Bij ons niet. Wij zaten precies in het midden van die drie plaatsen. Ik moest aan dit voorval denken bij het verhaal van Ezechiël. Daar is deze Heeswijkse gebeurtenis natuurlijk niets bij. Het zal míj wel bijblijven, maar geen 26 eeuwen worden overgeleverd, zoals dit verhaal uit het boek Ezechiël.
Daar gebeurde iets, waarvan precies beschreven wordt wánneer en waar en onder het hoeveelste regeringsjaar van welke koning dat gebeurde. Als daar sprake van is, dan zegt dat iets over het belang. Niet voor niets klinkt bij grote gebeurtenissen, weleens de vraag: waar was jij toen er dat of dat gebeurde? Want dat wéét je dan. Het staat in je geheugen gegrift. Denk maar eens terug aan een diep ingrijpende gebeurtenis in je eigen leven, daar was vast en zeker sprake van méér dan wat jezelf gepland en geregeld had. Het zal iets geweest zijn dat je te boven ging. Het kán iets verschrikkelijks zijn, maar ook iets prachtigs.
De gebeurtenis bij Ezechiël was zo ingrijpend, dat naderhand is opgetekend op welke dag van de hoeveelste maand in het zoveelste jaar, bij het Kebarkanaal in Babel enz… Dáár werd Ezechiël door de hand van de Heer gegrepen! Een heftige uitdrukking. En de beschrijving gaat ook heftig verder: stormwind, een grote, gloeiende wolkenmassa, vuur van bliksemflitsen. Met daarbinnen: een glans van witgoud en omgeven door een stralende gloed. Dat natuurgeweld doet denken aan wat Elia meemaakte in zijn grot, op de berg Horeb, waar God hem verscheen ná storm, aardbevingen en vuur. Alsof alle elementen in de wereld voor God uitgingen om Hem aan te kondigen. Waarna God dan zelf
verschijnt in een licht dat doet denken aan de gedaanteverandering van Jezus wiens kleding veranderde in stralend wit licht.
Wat gebeurde daar precies, dat het zolang is overgeleverd? Als Ezechiël dit overkomt is het volk al decennia in ballingschap. De tempel in Jerusalem was vernietigd. Dat wilde in die tijd zeggen: de godheid dat volk was niet in staat gebleken, zich te handhaven. Hij was voorbij. Afgelopen. Maar déze God blijkt niet gebonden aan de tempel van Jerusalem. Hij komt naar het volk tóe, dat geen tempel meer heeft. Hij overkomt hier Ezechiël. Hij laat zich hier kennen als een dynamische God, onafhankelijk van tijd en plaats. Door zijn komst naar Babel toonde deze God zich voluit in zijn Naam: ik zal er zijn, ook hier, in jullie ballingschap, in jullie ellende. Een bewogen God, die zich het lot van zijn volk aantrok.
In Lucas is ook sprake van een verschijning; die van Jezus aan de complete groep leerlingen en waarschijnlijk ook de vrouwen die Jezus’ lichaam hadden willen balsemen. Want het is de eerste dag van de week ná Jezus overlijden. Die vrouwen hadden aan de leerlingen verteld wat zij hadden meegemaakt bij het graf. En de Emmaüsgangers waren net hun verhaal aan het doen, toen Jezus in hun midden aanwezig kwam. Nadat hij hen ervan had overtuigd dat hij het echt was, zegt Hij hen (en in Lucas zijn dat Zijn laatste woorden): Ik zend jullie wat mijn Vader heeft beloofd. Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hemel zijn bekleed. Toch neemt Hij ze dan nog eerst mee de stad uit, tot aan Bethanië, wat zoals we weten vertaald betekent: stad van ellende. En precies daar in die stad van ellende, zegent hij zijn leerlingen, zelf ook in ellende door de dood van Jezus en de dreiging van de hogepriesters. Daar, ja daarín zegent Jezus hen. Alsof Hij ermee wil uitdrukken: in alle ellende die er is, zal Ik er zijn, Aanwezig, Ik ben met jullie. Zoals God bij Ezechiël.
Terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel. Zij kregen daarmee een inkijkje in de hemel. Zij zagen hoe Jezus daar thuiskwam.
Het was de laatste keer dat Hij aan hen verscheen. Het hoefde ook niet meer. Want ze hadden gezien wie Hij was en waar Hij was. Ze hadden Hem als het ware in zijn ware gedaante zien verrijzen. Ze hadden begrepen, wat Hij op aarde had gedaan, wat met zijn dood niet weg was. Hij leefde in Zijn boodschap verder. En ín dat zien van Hem, worden ze gezegend. Zegening als toerusting voor onderweg, voor de weg die nog vóór hen ligt. Die ze nog niet kennen. Daarvoor moeten ze nog in de stad blijven, ‘tot’ zo staat er geschreven ‘ze met kracht uit de hemel zijn bekleed.’ Ze konden Hem daarom loslaten, laten gaan. En teruggaan naar Jerusalem, zoals hen was opgedragen. De angst en de droefheid is voorbij. Ze vertonen zich in het openbaar, ze zijn voortdurend in de tempel om God te loven, vól van de boodschap die ze hebben verstaan. Nog niet wetend hoe daarmee verder te gaan. Het was nog geen Pinksteren. Maar ze hadden de hemel open zien gaan, ze hadden de kracht van de zegen ontvangen. Ze waren in afwachting van de zending die Jezus hen had toegezegd. Ze hadden Hem in zijn aardse gedaante losgelaten en waren vol verwachting en blijdschap.
Hemelvaart. De weg voor de geest is open, als we loslaten wat we kennen. Loslaten, zoals het blad afgelopen dinsdag de boom had losgelaten en zich liet vallen op de wind, in vertrouwen, zonder de bestemming te kennen. Want: God zal er zijn. Ook als wij het niet weten, júist als wij het niet weten. Hier en nu. Beweeglijk, altijd anders dan wij denken. Mogen wij zó naar de gemeenschapsdagen en Pinksteren toeleven.