Mc. 6, 1 – 6

Els Vis

LUISTEREN DOET WONDEREN

Luister! Dit woord staat ruim 400 keer in de bijbel. God ziet wat af met het volk van Israël dat zo slecht luistert. Telkens weer stuurt God profeten, maar de mensen? Ze luisteren, soms, voor even, en dan weer niet. Hoor. Maar ik kan niet horen. Mijn oren dicht gestopt. Hoor. Maar ik wil niet horen.

We luisteren niet. Of op zijn minst te weinig. We zijn weerspannig. Halsstarrig. Eigenzinnig. Opstandig. Tot op de dag van vandaag is het al zo geweest. Een zootje stijfkoppen dat zich niet zomaar iets laat gezeggen. Op zich is daar niks mis mee. Eigenzinnigheid en opstandigheid zijn eigenschappen die verandering kunnen brengen, die kunnen leiden tot ontwikkeling. Waar het om gaat, is dat je af en toe stil staat om te luisteren. Dat je open staat voor feedback en deze kunt ontvangen. En dat vinden we best moeilijk. Wat weet die ander er nou helemaal van? Met welk recht of gezag denkt die er iets over te kunnen zeggen?

We willen horen wat ons uitkomt, maar stoppen vaak onze oren dicht voor wat niet in ons straatje past. Dat is het lot wat profeten altijd weer treft: mensen die hun oren dichtstoppen. Of erger: die hen de mond snoeren. Door ze gevangen te zetten of te vermoorden. Het gebeurt overal op deze wereld. En het is van alle tijden. Want we zijn zo slecht in luisteren. Bang als we zijn ons houvast te verliezen.

Maar of ze nou willen horen of niet, ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest. Of we nou luisteren of niet, profeten zullen blijven opstaan. Ze kunnen eenvoudigweg niet anders dan zeggen wat op hun hart ligt. Aangeraakt als ze zijn door een heilig vuur. Wetenschappers, journalisten, activisten. Maar ook mensen in onze nabijheid, die ons ineens kunnen verrassen met een uitspraak die pijnlijk doel treft. Telkens weer staan er mensen op met een kritische noot, een waarschuwing, de ongemakkelijke waarheid. Zo ook Ezechiël. Mensenkind, zo wordt hij aangeroepen en door God op weg gestuurd. In de Naardense vertaling wordt hij aangeduid met Mensenzoon, net als die jongen uit Nazareth, de zoon van Jozef en Maria, die voor timmerman had geleerd.

Overal waar Jezus komt, trekt hij enorme aantallen mensen. Ze luisteren naar hem vol aandacht, volgen hem, geloven in hem en in de wonderen die hij doet. Maar dan komt hij in zijn vaderstad, zijn eigen land. En daar ben je gewoon – zoals we in Brabant zeggen – “dun dieje van dun dieje”. Met wie je op school hebt gezeten, met wie je hebt gevoetbald of kattenkwaad uitgehaald. Wat, als je langere tijd bent weggeweest uit je geboortestad en je komt terug met nieuwe ideeën en inzichten. Voor de thuisblijvers is alles hetzelfde gebleven, veilig en vertrouwd.

Maar wie terugkeert ziet waar verandering mogelijk of misschien zelfs nodig is. Dat wekt argwaan. Je komt thuis, maar je hoort er niet meer bij. “Denk maar niet dat je meer bent dan wij!”

Na alle lof die Jezus eerder kreeg toegezwaaid, komt hij nu van een koude kermis thuis en dat raakt hem. Jezus is verbaasd. Ik las in een Engelse vertaling dat hij shocked was: onthutst. Met stomheid geslagen. Hij kon daar geen enkel wonder doen – zo staat er -, behalve enkele zieken genezen door handoplegging. Persoonlijk vind ik dat een groot wonder, maar in de bijbel geldt de definitie voor wonder toch meer in het bezweren van stormen, lopen over water en doden doen herleven. Dat een dergelijk wonder in zijn vaderstad niet kan geschieden, komt omdat er twee nodig zijn voor een wonder. Een die het wonder voltrekt en een die ervoor openstaat, die gelooft dat het kan.

Jezus kon geen wonderen doen te midden van zijn verwanten en huisgenoten. Er was te veel dichtgemetseld, te veel vooraf ingevuld. Als je denkt dat je weet hoe het zit, als je geen vragen hebt, maar vasthoudt aan het beeld dat zich in je hoofd heeft postgevat, dan is er geen ruimte meer voor verwondering. De wonderen zijn de wereld uit. Je zit gevangen in een systeem. Oh, hij doet altijd zo. Gewoon niet naar luisteren! Je kunt haar beter niks vragen, dat is zo vermoeiend! Ach, daar heb je hem weer! Het systeem van een vaderstad. Het systeem van een gemeenschap, een familie. Ons kent ons. Doe maar gewoon. Zo kan gemeenschap belemmeren om met nieuwe ogen te kijken.

Het systeem van onze gemeenschap functioneert al 57 jaar. En in die 57 jaar heeft het ook tijden gekend waarin die banden konden knellen. Waarin mensen zich konden beroepen op een gedeelde intimiteit om anderen daarmee in hun greep te houden, hun plaats te wijzen. In de geschiedenis van de Hooge Berkt heeft halsstarrigheid mensen tekort gedaan, heeft eigenzinnigheid gezorgd voor scheuringen, heeft opstandigheid gezorgd voor ontwikkeling. Maar door op cruciale momenten met nieuwe ogen naar de ander te kijken en met open oren naar de ander te luisteren, daardoor is het wonder geschied van 57 jaar bestaansrecht.

Daar ligt ook de opdracht voor onze ongewisse toekomst. Dat wij ons blijven openstellen voor nieuwe ideeën en inzichten. Luisteren zonder voorbehoud. Kijken naar onszelf door de ogen van vreemden. Vragen om feedback: hoe zien jullie ons? Kritiek durven ontvangen en zelf ook kritisch naar elkaar en onszelf durven zijn. Naar buiten trekken om te zien wat er gebeurt in andere kerkgemeenschappen, in de samenleving. Zoeken naar wegen om in deze tijd van polarisatie, verruwing en gebrek aan solidariteit een inspirerende plaats te zijn en te blijven.

De Huisgenoten zijn 50 jaar geworden. Een stille kracht in onze gemeenschap die inmiddels heel goed weet waar Abraham de mosterd haalt. En wij als gemeenschap, wij zijn 57 jaar geworden. We zijn in de overgang. Dus kijken we soms wat weemoedig terug naar wat is geweest. Hebben we af en toe flinke opvliegers: hoe moet het toch verder? Maar ondertussen groeien we in wijsheid en stellen we ons – soms weerspannig en

opstandig – open voor een nieuwe levensfase. Het is wel zaak dat we niet bang zijn voor wat ons te wachten staat, maar dat we vertrouwen dat het goed zal zijn. Want ongeloof staat wonderen in de weg.