Lc. 2, 22 – 40

Els Vis

WORD WIE JE BENT

Acht dagen na zijn geboorte krijgt het kind van Jozef en Maria de naam Jezus. Bijbels gesproken begint je leven niet bij je eerste ademhaling, maar met het uitroepen van je naam. Jezus: God bevrijdt. Met die naam, met de betekenis van die naam, loopt het verhaal vooruit op wat dit kind zal worden: jij zult een Bevrijder zijn.

Veertig dagen na zijn geboorte nemen zijn ouders Jezus mee naar de tempel om hem op te dragen aan God. Daar zijn twee oude, vrome mensen. Ze hebben zo lang naar hem uitgekeken en nu ze het kind zien, weten ze meteen dat Hij het is: de redder, het licht in de wereld. Simeon en Hanna, ze verkondigen zijn identiteit en betekenis. Het lijkt wel alsof het kind niet meer hoeft te worden wie Hij is: Hij IS het al.

In de spiritualiteit heet dit mystagogie: Simeon en Hanna – vervuld van Heilige Geest – zien in die pasgeboren baby zijn hele wezen, de grootse beloften die in Hem zijn neergelegd. Toch duurt het nog tientallen jaren, voordat Hij daadwerkelijk wordt wie Hij is. Wat in Hem in potentie aanwezig is, moet nog tot volle wasdom komen.

Voor ons geldt dat net zo: wie we zijn ligt in ons wezen opgeslagen, we hebben een leven nodig om het ook te wórden. Ook wij krijgen te maken met verwachtingen die anderen van ons hebben. Heb je die waar kunnen maken? Misschien worstel je er nog steeds mee. Misschien heb je jezelf er op enig moment van bevrijd en ben je een eigen weg gegaan.

Worden wie je bent is een ‘naar jezelf toe trekken’. We kennen allemaal situaties in ons leven waarop we de regie uit handen moesten geven, niet langer de controle hadden over wat er met ons of om ons heen gebeurde. Vaak zijn dit momenten van omkeer, waarop je tot inzicht komt, ingrijpende keuzes maakt. Momenten waarvan je vaak later zegt dat ze je dichter bij jezelf hebben gebracht.

Dit is een kwaliteit van de ziel. Onze ziel – zo staat in ons leefregel boek – verlangt maar naar één ding: naar onze goddelijke dimensie, naar wie wij ten diepste zijn. En daarom blijft de ziel ons trekken en duwen in die richting.

Op een scheurkalender las ik ooit eens de woorden: “God ziet ons zoals we kúnnen zijn, maar houdt van ons zoals we zijn.” We zijn goed genoeg zoals we zijn, maar God ziet meer. God ziet onze potentie, onze ongekende talenten die in ons verborgen liggen. Kan onze ziel ons voldoende trekken en duwen om die naar boven te halen? Of verbergen we ons voor onszelf? Houden we ons doof voor wat de geest ons influistert?

In dit kader passen de beroemde woorden van Marianne Williamson: “Onze diepste angst is [juist] onze niet te meten kracht. Niet de duisternis, maar het licht in ons, is wat we het meeste vrezen …”, aldus Williamson. Als we die angst kunnen overwinnen, bevrijden we onze ware identiteit, bevrijden we het licht in onszelf.

Worden wie je bent, doe je niet alleen. Je hebt mensen nodig die van je houden, je omringen met zorg en aandacht. Mensen die je stimuleren, aanmoedigen, omdat ze in je geloven, omdat ze je kwaliteiten zien. Maar ook mensen die je tegenwerken, belemmeren, want die leren je onbedoeld veel over jouzelf.

Al deze mensen in je leven zijn – en ik citeer Mariek: “lichtdragers die hun licht op ons laten schijnen en daarmee ons licht, als ook onze duisternis, naar voren brengen. Ze houden ons een spiegel voor.”

Het blijft een afspiegeling van wie we zijn. Pas als we zijn opgenomen in de liefde die God is, zullen we onszelf ten volle kennen én gekend zijn. Althans, dat wordt ons door Paulus in het vooruitzicht gesteld. Laten we, tot het zover is, blijven oefenen om met die liefde van God naar onszelf en naar elkaar te kijken. Dat we ons niet anders hoeven voor te doen, maar zijn én mogen worden, zoals we zijn.

En laten we dat hier en nu doen. Met je buurman of buurvrouw, met zijn tweeën of met zijn drieën: leer elkaar kennen en laat je kennen door de volgende vraag:

Waar of wanneer in mijn leven kwam ik helemaal tot mijn recht, had ik de ervaring écht mezelf te zijn?