Joh. 17, 20 – 26
Tussen Hemelvaart en Pinksteren
Op deze zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren horen we in het evangelie het zo bekende gebed om eenheid. Na Hemelvaart is dat meer dan ooit nodig, eenheid. Hemelvaart geldt als feestdag. Maar wat is er feestelijk aan? Wij vieren dat Jezus ons definitief verlaat. De leerlingen die achterbleven moeten zich toch van God en mens verlaten hebben gevoeld. Dat gevoel kennen wij. Het lijkt erop dat God zich uit deze wereld heeft teruggetrokken, als we zien wat er allemaal gebeurt. Maar gelukkig kregen wij afgelopen donderdag het symbolisch gebaar van het stokje dat doorgegeven wordt, wij als meelopers in een eeuwenlange ‘geheiligde estafette’.
Het evangelie begint met Jezus die tot God bidt voor zijn leerlingen en voor allen die door verkondiging tot geloof komen. Vandaag worden wij ertoe bepaald dat wij zo’n ‘heilige estafette’ alleen maar kunnen lopen met in ons een voortdurend gebed om eenheid. Daarom wil ik vandaag graag met jullie overwegen wat dat bidden is, en hoe we ons die eenheid mogen voorstellen. Dit als overdenking op weg naar het Feest van de Geest.
Bidden
Eerst ons bidden. Bidden, er is eeuwenlang al zoveel over gezegd. Lange tijd heb ik geleefd met een uitspraak van de Franse dichter-filosoof Paul Valéry uit de eerste helft van de vorige eeuw. Paul Valéry werd ook bekend om zijn korte en krachtige uitspraken. Hij zegt over bidden het volgende: “Bidden is spreken óver jezelf tót jezelf, ten óverstaan van een derde die in je is.” Maar gaandeweg heb ik iets belangrijkers mogen ervaren, ook doordat ik zie hoe anderen hier bidden: Bidden, zo heb ik mogen ervaren, is overgave. Bidden is: op de knieën gaan en loslaten. Dat vraagt van ons een houding waarbij je God, en de ander in God, laat binnenkomen tot in het centrum van jezelf, tot in je hart. Bidden is alles wat we hebben op onze handen leggen: onze zorgen en vreugde, onze mogelijkheden en tekortkomingen, al onze geheimen, alles waarop we trots zijn. En dit allemaal aan God laten zien.
Henri Nouwen – die als priester ging leven en werken in een van de Ark-gemeenschappen te midden van mensen met een zware beperking – vertelde in dit verband eens het volgende, nogal schokkende verhaal van een oude vrouw die naar een psychiatrische inrichting werd gebracht. Omdat ze zo wild om zich heen sloeg en een gevaar vormde voor haar omgeving, moesten de artsen haar alles afnemen. Maar de trouwring van haar
overleden partner die zij in haar vuist geklemd hield, wilde zij niet afgeven. Twee mannen waren er nodig om haar dichtgeknepen handen te openen. Het was alsof zij met die ring ook zichzelf zou verliezen. Als dit laatste bezit haar ontnomen zou worden zou zij niets meer hebben en niets meer zijn. Dat was haar angst. Wie uitgenodigd wordt tot gebed, wordt gevraagd zijn dichtgeknepen handen te openen.
Ook Jezus moest alles hier op aarde achter zich laten. En voor zijn definitief afscheid spreekt hij het gebed uit dat we zojuist gehord hebben. Wat opvalt in dit bidden van Jezus is dat hij niet bidt of iets vraagt voor zichzelf of de noden van de wereld onder de aandacht brengt. In zijn gebed gaat het om de eenheid tussen hen die achterblijven, de eenheid tussen de nabestaanden. In een preek las ik eens de volgende vergelijking. Het is alsof een man op zijn sterfbed, met de kinderen om zich heen, bidt dat zijn kinderen elkaar niet laten vallen, dat ze niet verdeeld raken. Hoe zegt Jezus dat wij verder kunnen? Hij zegt: dat kan alleen maar in de Naam, in de uitstraling van God, die hij zijn Vader noemt. Hij heeft door zijn leven heen ervaren dat wij mensen het alleen redden als wij allen één zijn, in de uitstraling van God.
Om eenheid
Ik kom nu op aan tweede deel van mijn overwegingen, gedachten bij het begrip ‘eenheid’. Wij zijn hier, denk ik, niet bij elkaar om te horen hoe noodzakelijk eenheid is, in een relatie, bij de opvoeding van kinderen, in een sportteam, in deze gemeenschap. En we zijn hier ook niet bij elkaar gekomen om nogmaals te horen dat eenheid niet zoiets betekent als eenheid van denken en voelen, of handelen. Eenheid is geen uniformiteit. Maar wat dan wel?
In eenheid zit een diepere laag. De eenheid die je ervaart in opgaan in muziek, of die ik nu soms ervaar als ik bij het zingen naast Sybe mijn stem heel even hoor samenklinken, of de eenheid in de liefdesdaad, of de eenheid in gezamenlijke ontroering. Dit zou je de eenheid van de samensmelting kunnen noemen.
In eenheid zit een nog diepere laag. Ik weet nog hoe mijn ouders teleurgesteld waren toen wij als broers en zussen besloten om elkaar geen cadeautjes meer te geven op verjaardagen. Pas later begreep ik dat het hen niet ging om de cadeautjes, maar om de angst dat we als gezin los zand zouden worden. En later heb ik mijn moeder echt teleurgesteld gezien toen Tineke en ik bij ons 25-jarig huwelijk niet al mijn elf broers zussen uitnodigden.
En nog zit er een diepere laag onder deze eenheid. Het kleine visje in de zee sprak: Waar is die grote walvis? Ik zie geen walvis. Ha, zei de walvis, je zwemt al in mij. Over die eenheid spreekt, denk ik, Jezus. Het is de eenheid die de dichter Achterberg uitdrukt in het
gedicht over de mens die voor een tijd een plaats van God is, eenheid met God. In mijn ademhaling zit de ademhaling van God. De mens is voor een tijd een plaats van God.
Non-dualiteit
Graag zou ik jullie nu vertellen van mijn wandelingen met Ad Schouwenaars, een voormalig lid van onze gemeenschap die nu als ex-monnik en kluizenaar aan de rand van deze gemeenschap woont. Zijn kernwoord is het zo weerbarstige begrip non-dualiteit. Wij als mens kunnen niet anders dan in tweedelingen denken: ik en de ander, ik en de Ander met hoofdletter. Maar er is een laag van leven waarin er geen tweedeling is, geen dualiteit, een non-dualiteit. Die duidt Jezus aan met de woorden: Mogen allen één zijn, zoals Ik en de Vader één zijn, ik in jou, jij in mij. Zo onvoorstelbaar is dat. Misschien kunnen we daar straks bij de koffie verder over praten, voor zover wij dat kunnen begrijpen in woorden.
Dialoog
Maar misschien toch alvast een concreet handvat. Ik vind dat voor mezelf in het woord dialoog. Een dialoog is geen gesprek met zijn tweeën, dat zou een duo-loog zijn, een dualiteit. Het is een gesprek waarin door het woord heen (dia logos) zoekend een eenheid wordt opgeroepen. Het gaat om een gezamenlijke mentale ruimte, dus geen speelveld zoals in een discussie of loopgraven zoals in een debat, maar een ruimte waarin er een samenspraak is, vanuit een zoekend spreken in een verlangen naar verbinding, met veel ruimte voor stilte en een houding waarin wij naar elkaar buigen in eerbied. Natuurlijk, er is ook discussie nodig en ook debat. Maar komen we daarin tot eenheid? De dialoog is voor mij de mooiste vorm van zoeken naar eenheid.
Tot slot, De lezingen nodigen ook ons uit om te bidden. Kijk maar naar de leerlingen. Het eerste wat de leerlingen van Jezus na zijn dood doen, is bidden. Ze bidden, zo vermoed ik, niet omdat hun gebed de wereld en de mensen verandert. Maar omdat ze ervan overtuigd zijn dat het gebed hen verandert. Zo kunnen zij als veranderde mensen, meewerken aan een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Bidden alleen verandert een moeilijk situatie waarin wij verkeren niet meteen. Maar volgehouden bidden verandert ons, maakt ons open, ontvankelijk en gevoelig voor noden en vragen van anderen. En als wij dan bidden om eenheid, dan versta ik zo’n gebed als een oproep om onze krachten te bundelen en opnieuw geestdrift te brengen in deze zo verscheurde wereld.
Samen het gebed om eenheid zingen
Het is wel een overvolle overweging geworden in deze themaviering, met de thema’s bidden en eenheid met al die verschillende lagen. En dan ook nog de non-dualiteit in een
dialoog. Ik ben er niet in geslaagd om bij dit zoo moeilijk evangelie een kortere overweging voor te bereiden. Gelukkig kunnen we de tekst nog eens nalezen. Maar misschien is het wel belangrijker dat we na al deze woorden aan het slot van deze viering ons eigen voltage meegeven aan de woorden in het lied ‘Mogen allen één zijn’.